Stichtte de Strijpse Pastoor zelf brand?

Gepubliceerd op: 11-04-2018 foto #52649 2 commentaren 1 stemmen

Categorie:Religieus - Kerk - RK - St. Trudokerk. (zie ook 'Ramp') - Ramp - Brand St. Trudokerk    Stadsdeel:Strijp    Jaar:1936 Groep:-    Bijdrager:Frans Gommers -c-

OMSCHRIJVING

In 1936 stond de Sint Trudokerk op Sint Petrus- en Paulusdag ineens in lichterlaaie. De vuurstorm had een dusdanig immense omvang, dat het gebouw bijna geheel verwoest werd. Op deze site vindt u in de categorie "Ramp - brand Sint Trudokerk" een groot aantal bijdragen van Prof. Mr. Dr. G.A.M. Strijards over de toedracht van deze brand en meer in het bijzonder uitvoerige citaten uit het politiële verhoor van de toenmalige pastoor Werners, die terstond de kerk deed herbouwen, uitbreiden, verfraaien en van een heuse toren met gelui deed voorzien. Dat kon, omdat de verzekerde som bij brand recentelijk, in 1935, aanmerkelijk was verhoogd. U ziet de toren Trudokerk, zoals zij er sedertdien uit kwam te zien, met verder de vijfbeukige kapellenkrans met Maria-kapel en doopkapel. De pastoor werd door de Philipsbrandweer en door de Eindhovense gemeentepolitie aan de tand gevoeld over de oorzaken van de brand, meer in het bijzonder hoe het kwam dat de brand zich intensief had kunnen verspreiden boven de gewelfschotels van de kruisrib-gewelven over de nokken van de schipzoldering.

Op de site vindt u, een groot aantal bijdragen van de hand van Professor Strijards over deze brand, en meer in het bijzonder uitvoerige citaten uit het verhoor van de pastoor Werners door de gemeentepolitie Eindhoven. Dit uitgebreide verhoor heeft zich over meerdere dagen uitgestrekt; de bedrijfsbrandweer van Philips, die als eerste op de plaats des onheils arriveerde, rook aanstonds onraad door de uitbreiding van de vlammenverschijnselen binnen korte tijd en nog wel door de dakgewelven. Werners had de kapelaans en de koster, gesecundeerd door koster en koorzangers al aan het werk, die juist de stukken uit de kerk droegen, die Werners dierbaar waren. Dat wees op voorbereidingshandelingen, vooral omdat de herbouwwaarde van de brandverzekering onder de R.K. Onderlinge Waarborgmaatschappij tegen brand- en stormschade "Sint Donatus" zeer recentelijk aanmerkelijk te hoog geschat was, maar niettemin toch in de dekking aanvaard was.

De bedrijfsbrandweer was echter geen opsporingsbevoegdheden buiten het Philips-concern gegund en was ook niet erkend als strafvorderlijke opsporingsbrigade. De genoemde commandant deelde zijn vermoedens mee aan de veel te laat arriverende gemeentelijke brandweerdienst. Daarvan hadden de commandant en brandmeesters wel de erkenning van bijzondere opsporingsambtenaren (BOA's), maar niet die van Hulp-Officier van Justitie. Zij konden mitsdien niet overgaan tot huiszoeking ter inbeslagneming in pastorie, kosterswoning en sacristie bij betrapping op heterdaad, al deelden zij de vermoedens van de Philipsbedrijfsbrandweer. Zij stelden Werners van hun verdenking, helaas, op de hoogte -- het gevolg was dat Werners niet meer meewerkte -- en alarmeerden de inspectie der gemeentepolitie Eindhoven, waarvan de officieren wel de status hadden van Hulp-Officier. Deze zond een inspecteur; diens aanvankelijk relaas vindt u ook weer hier op E-I-B. Werners besefte dat hij in staat van verdenking verkeerde. Hij voelde nu meer nattigheid dan het bluswater dat de beide brandweerdiensten te weeg brachten op locatie en verwittigde het Bisdom van de vermoedens van de politie, telefonisch. De bisschop was er niet. Dat was destijds Arnoldus Diepen, die al eerder had moeten ervaren dat zijn clerus wel eens strafrechtelijk over de schreef ging. Dat was in 1936 de prelaat navrant gebleken, toen twee Ossche geestelijken verdacht werden van bestendige ontucht met minderjarigen, één pastoor had zich aan misdienertjes vergrepen, een ander aan meisjes werkzaam bij het vleesconservenbedrijf Swanenberg, een joodse onderneming.

Uiteraard kwam dat -- deze voortgezette ontucht met minderjarigen die aan het gezag van de ontuchtige is toevertrouwd of overgelaten krachtens bediening of ambt -- destijds, zoals nu, helaas, meer voor. Niet alleen in Roomse kring. Maar de Nederlandsche Nationaal Socialistische Beweging (NSB) van Ir. Mussert had een grote kringafdeling in Oss. Deze had zich meermalen vilein en critisch over deze twee kerkelijke bedienaars uitgelaten, omdat hun merkwaardige relatie met Swanenberg de nationaal-socialisten uit oogpunt van rassenpolitiek zonder meer als ongepast voorkwam. Bovendien waren enkele wachtmeesters van de Marechausse-brigade de NSB-beginselen toegedaan. Hun Opperwachtmeester Mintjes zou later tot de NSB officieel toetreden. De voorzitter van het episcopaat Joannes de Jong had de beginselen van het nationaal-socialisme per kanselbrief laten veroordelen en ook de aanval op Hitler en de zijnen geopend. De Jong was er vroeg bij: een meerderheid der Nederlanders vond de NSB best interessant en zag niet goed in, waarom de rassenleer van Hitler onverenigbaar was met de orthodoxie van het Rooms-Katholicisme. Christus was een Ariër en de Joden hadden hem vermoord --- menige moraal-theoloog op de seminaria leerde dat.

Diepen zelf vond dat ook. Maar hij kon toch niet hebben, dat in zijn diocees twee pastoors vervolgd zouden worden: het aanzien en het prestige van de kerk lieten dat niet toe. Hij belde daarom de zeer katholieke procureur-generaal Baron Speyaert van Woerden, een geducht en steil man. Dat deed de bisschop anders nooit: hij belde nooit zelf en nooit met ambtenaren, daar had hij een kanselarij-geestelijke voor. In dit geval meende hij Speyaert een verklaring te moeten ontfutselen dat de vervolgingen ten laste van zijn pastoors gestaakt zou worden. Het Paleis van Justitie had nog geen automatische telefooncentrale. De parketwachter-bode keek er bepaald van op toen de deftige, slepende en diepe stem van Diepen hem gelastte dóór te verbinden met Speyaert, daarbij niet verhelend dat hier de kerkvorst sprak. De verbinding met Speyaert kwam tot stand. De bode bleef meeluisteren (wat niet mocht) en hoorde dus hoe de hooggeplaatsten elkaar de staking der vervolging beloofden, waarbij Speyaert wel zei, dat hij daarvoor dekking moest hebben van de Minister van Justitie, de Rooms Katholieke Goseling, die net aangetreden was. Dat was in het vierde kabinet-Colijn.

Kort daarop werd aan de hele Marechausse-brigade de strafvorderlijke bevoegdheid tot opsporingsdaden ontnomen bij ministeriële beschikking. De brigade werd zelfs later in fasen ontbonden en de meest weerbarstige wachtmeesters werden overgeplaatst op kazernes elders, waar voortzetting van hun carrière uitgesloten leek. Dat baarde opzien, landelijk, want deze onderofficieren waren kort tevoren door Wilhelmina persoonlijk koninklijk onderscheiden wegens hun bijzondere verdiensten bij de bestrijding van de criminaliteit van Oss. De substituut-officier van justitie die het gerechtelijk vooronderzoek had geleid kon ook zijn biezen pakken. Diepen deed de instructie uitgaan, dat, wanneer een geestelijke merkte dat hij verdacht werd van enig strafbaar feit, hij geen advocaat moest zoeken -- dat zou altijd en per definitie opzien baren -- maar dat hij de bisschoppelijke curie onmiddellijk moest bellen. Niets mocht schriftelijk gerelateerd worden. De bisschop zou zelf de zaken aan zich trekken. Ook al stond Werners met Diepen op gespannen voet -- u vindt hier in E-I-B waarom -- deze aanwijzing volgde hij meteen op, omdat hij zijn clericale positie duchtte.

De gemeentelijke politie had wel eerbied voor een pastoor, maar meende toch, dat Werners verhoord moest worden. Diens beroep op Den Bosch en diens betoog dat de Procureur-Generaal Speyaert eerst moest toestemmen, omdat hij als pastoor binnen zijn parochie een immuniteitsstatus zou hebben, die moest leiden tot schorsing der vervolging ingevolge artikel 17 van het Wetboek van Strafvordering, maakte echter toch indruk. Niet zozeer omdat de verdenking lichtvaardig was, maar omdat de politieambtenaren zeer goed wisten hoe ellendig het met hun collegae van de Marechaussee in 1936 was afgelopen. Een inspecteur, nietwaar, wil toch hoofdinspecteur worden en liefst commissaris. De inspecteur deed dus geen huiszoeking op genoemde plaatsen en zocht dekking van hogerhand. Goseling was op dat moment voorwerp van een commissie-onderzoek in de Tweede Kamer, omdat de volksvertegenwoordiging de motivering, die de bewindsman had gegeven niet toereikend vond voor diens grove ingrijpen in het lopend opsporingsonderzoek. Daarbij gaf het Wetboek van Strafvordering geen rechtsgrond voor het ontnemen van bevoegdheden aan een hele brigade. Wel voor het ontnemen van gespecificeerde bevoegdheden aan één opsporingsambtenaar en dus aan één wachtmeester van de KMar, maar niet voor een collectieve ontneming aan een "brigade". Dat wees er al op, dat er iets stonk. Inmiddels bleven de wachtmeesters geschorst. Ze waren wel in beroep bij de ambtenarenrechter, maar die was ook erg bang voor een mogelijk ernstig politiek conflict. Daarin zou deze rechter, de Centrale Raad van Beroep, dan betrokken zijn.

De commissaris van Gemeentepolitie te Eindhoven wist bliksemsgoed wat hem boven het hoofd zou kunnen hangen. Ambtelijk liep hij risico's. Een kamermeerderheid had bezwaren gekregen tegen Speyaert en Goseling. Het parlementair onderzoek had in ieder geval aangetoond, dat de Bisschop Diepen contact had gehad met Speyaert. Kennelijk is die bode, die de telefoon aannam in zijn loge aan de Bossche Spinhuiswal daar gehoord. De onderzoekscommissie kon melden dat vergissing uitgesloten was: de bode was vroom kerkganger en had Diepen kort tevoren met zijn merkwaardige, bezwerende en gepreoccupeerde stem de vastenbrief horen voorlezen en toelichten in de kathedraal, waarbij de prelaat vooral had uitgeweid in zijn homilie over de sexuele vrijpostigheden in tap- en danslocaliteiten. En hij kon woordelijk opgeven wat Diepen en Speyaert hadden bedisseld. Daarmee was Goseling echter nog niet weg als Minister. Daar was een motie van wantrouwen voor nodig. En zou die aangenomen zijn, dan zou het kabinet vallen. Een kabinetscrisis was het laatste waarop Nederland op dat moment zat te wachten: Hitlers Duitsland was dreigend in opkomst, militair bezien. Het had net het Rijnland bezet. Blééf Goseling, dan bleef Speyaert ook. Dan kon een Eindhovense commissaris die een vervolging tegen een pastoor organiseerde, beter meteen aan het gas gaan liggen. De verdenking tegen Werners was redelijk, zwaarwegend en kon met feiten verder onderbouwd worden. Ook dat wordt u op E-I-B uit de doeken gedaan. Van een schorsingsgrond tot vervolging ingevolge artikel 17 van het Wetboek van Strafvordering was geen sprake. De commissie uit de Tweede Kamer rapporteerde, dat de Minister Goseling zijn ingrijpen in de Ossche zaak niet kon rechtvaardigen. Dat is nog geen motie van wantrouwen. Die was echter in de maak op voordracht van de NSB, Rost van Tonningen, een bekwaam jurist. Voordat deze in stemming kon komen, verzocht de Minister van Financiën, de protestant De Wilde, ineens ontslag omdat hij geen dekking kon geven aan de kabinetsplannen ter uitvoering van de werkloosheidspolitiek van Romme. Het Kabinet ging dus ineens heen. Dat gaf Werners lucht. Toch had een kamermeerderheid al opgegeven dat reden was voor een parlementaire enquête in deze zaken. Dat was destijds een ongehoord middel. Dat kon alleen als men dacht dat de waarheid niet van de regering te verkrijgen was. Kennelijk was dat het oordeel van de Tweede Kamer.

In het daarop volgende kabinet-De Geer had de rabiate protestant Gerbrandy justitie. De oppositie vroeg onmiddellijk, hoe het nu toch zat met de vervolging van de geestelijkheid in het diocees-Den Bosch. Categorisch: wat deed de minister aan het onderzoek in de rechtsaanhangige zaken? Weer was Rost de interpellant. Deze keer kwam het tot handgemeen. De interpellant werd uit de kamer verwijderd. Gerbrandy gaf nu prioriteit aan de vervolging van NSB-ers wegens staatsgevaarlijke activiteiten, waarbij de staatsonzijdigheid werd bedreigd. De zaken, waarop gedoeld werd, bleven, naar hij verzekerde, rechtsaanhangig. Maar hij had andere katten te geselen. Van hem, als protestant, kon niemand verwachten dat hij katholieken die de strafwet overtraden zou immuniseren. Hij gaf echter ook de Officier van Justitie te Den Bosch geen aanwijzing om deze zaken nu met kracht voort te zetten. Hij gaf zijn katholieke Secretaris-Generaal Van Angeren echter opdracht Speyaert eens nader aan de tand te voelen over de vreemde gang van zaken te Den Bosch en Eindhoven. Dat was weer raar: weer een katholiek die een katholiek moest bevragen. En dan nog wel een katholiek die bevriend was met Speyaert. De zaak bleef slepende, omdat Speyaert betoogde dat Van Angeren noch de Minister bevoegd was om een Procureur-Generaal aanwijzingen te geven wat deze als Directeur van Politie moest doen. Zulk een ambtsdrager was ingevolge de Wet op de Regterlijke Organisatie en de Zamenstelling van Justitie in die hoedanigheid niet ondergeschikt aan Justitie. De zaak bleef slepend. De Kamer concentreerde zich nu teveel op mobilisatievraagstukken en vooral de toepassing van de Oorlogswet-Nederland 1899. Op 11 mei 1940 besloten De Geer en Gerbrandy naar Londen te gaan. Op 13 mei scheepten de ministers zich in en daarna werd Van Angeren Minister van Justitie. Speyaert was de eerste die Van Angeren, derhalve merkwaardigerwijze niet Gerbrandy, op 10 mei in alle vroegte waarschuwde dat de Duitsers Maastricht waren binnengedrongen en vroeg hem, telefonisch, om "de dossiers", u weet wel, te mogen vernietigen. GSIII luisterde dat af. Na de oorlog bleek alle bewijsmateriaal verdwenen in deze zaken "tegen de geestelijkheid".

Dat is het verhaal. We kunnen dus stellen dat er een redelijke verdenking bestond in de zin van dat Wetboek en dat het een misdrijf betrof waarop altijd voorlopige hechtenis werd toegepast ingevolge de toenmalige artikelen 53-67 van dat Wetboek, zodat ook huiszoeking ter inbeslagneming zou zijn toegestaan, tevoren. In Eindhoven berichtten NSB-gerelateerde bladen zoals "De Opstand" uiteraard veel over de verdenking, maar de katholieke "De Meierijsche Courant" natuurlijk niet. De zaak-Oss sleepte van 1935 tot 1937. De verdenking tegen de geestelijken rees al sedert 1927. De gemeentelijke politie te Oss wilde er niets aan doen. De protestantse Marechaussee natuurlijk juist wel, vooral toen Wilhelmina zelf in persoon kwam ridderen. Wilhelmina had de pest aan katholieken en vooral aan pastoors. Dat vond ze vieze dikke drankorgels die dingen deden die het daglicht niet verdroegen. Dat is ze tot haar dood blijven vinden.
.

DEEL DEZE FOTO    

SOORTGELIJKE FOTO'S



COMMENTAREN (2)



SIGN IN OR REGISTER TO JOIN THE CONVERSATION


© Copyright 2013 EINDHOVEN-IN-BEELD.nl Alle rechten voorbehouden.