Eindhovens' burgemeesters, 1848 - 1946.

Gepubliceerd op: 25-01-2017 foto #49934 2 commentaren 1 stemmen

Categorie:Gemeente - bestuurders na 1920 - 02 Hub Pulles. - Gemeente - bestuurders na 1920 - 01 Anton Verdijk. - Gemeente - bestuurders na 1920 - 00 Overige.    Stadsdeel:Eindhoven Algemeen    Jaar:1848 Groep:-    Bijdrager:Frans Gommers -c-

OMSCHRIJVING

In 1848 treden de artikelen van J.R. Thorbecke in werking, waarbij de grondwet van 1814, geldend voor het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, bij de tijd wordt gebracht. Die artikelen gaan uit van een gedecentraliseerde eenheidsstaat. En van het bestaan van een parlementaire democratie. De ministers zijn voortaan politiek verantwoordelijk jegens de volksvertegenwoordiging. Niet meer jegens de koning in persoon. De gemeenten worden autonome lagere lichamen. Hun burgemeester wordt wel door de koning benoemd. Maar onder de verantwoordelijkheid van de minister van binnenlandse zaken. Die dus voor wat de burgemeester uitspookt verantwoordelijk is jegens de kamers. Dat maakt dat de burgemeestersbenoemingen politiek verantwoordbare beslissingen worden. Als de Tweede Kamer wil, kan zij een benoeming afkeuren. Of ze kan een zittend burgemeester desavoueren. Dan moet de minister zelf weten of hij die magistraat laat zitten. Maar dat kan hem zijn ministeriële steek kosten. Vooral als de kamer vriendjespolitiek ducht. Daarom is er sedert 1848 sprake van een staatkundig beleid bij de burgemeestersbenoemingen. Thorbecke begint zijn loopbaan als minister-president ook met het ontslaan van die magistraten, die alleen maar benoemd zijn omdat de koning ze ziet zitten. Meestal omdat ze onstellend reactionair-conservatief zijn. Willem III, de koning, is niet zozeer een nieuwlichter. Wie hem hakkenklakkend benadert en eerbiedig doet, maakt een goeie kans.

Wat houdt dat nieuwe staatkundige perspectief voor Eindhoven in? Wel, Thorbecke wil mensen die hem rapporteren, wat er precies mis is in de gemeente. Hij wil weten hoe de Armenwet wordt toegepast en of de gemeente meewerkt aan de uitvoering van de Onderwijswetten. En of ze niet tegenligt bij de uitvoering der provinciale planologie. Hij wil geen al te deftige notabelen, die ver staan van de gemeentenaren en die niet bereid zijn tot gemeen overleg met de raad, die voorlopig nog niet direct wordt verkozen. Melchior van Bon is in 1847 benoemd. Nog door Willem II. Hij was landmeter, behoort tot de notabelere families in Eindhoven. Hij is conservatief van snit. Wat vóór hem pleit is, dat hij zeker niet al te zuidelijk is, en dus niet geacht kan worden vriendschappelijke sympathieën te hebben voor die nieuwe revolutionaire Belgische staat, vlakbij gelegen. Dat België heeft nog altijd belangstelling voor de samenvoeging van de "beide Brabanden", Noord-Brabant en Zuid-Brabant, een streven dat pas in 1868 zal luwen, omdat dan het oorlogsgevaar dat van het grote Pruisen uitgaat, zo immanent wordt dat duidelijk is dat België gevaar loopt bij een Frans-Duitse oorlog. De Noord-Brabanders voelen dan niet meer veel voor vereniging met Zuid-Brabant, want dat ligt in het opmarsgebied. Maar is Bon ook een man die op liberale wijze de volkswelvaart zal bevorderen? Al komt de man voor verlenging van de aanstelling in aanmerking, in 1853 vindt Thorbecke toch dat er een man moet komen die de polsslag van de nieuwere tijd beter aanvoelt en op locatie de nijverheid zal bevorderen. Een burgemeester moet niet alleen een doffe beheerder zijn, maar een doortastend administrateur die meewerkt aan de uitvoering van de nieuwe planologische wetgeving, die op de politionele handhaving en die op de toepassing der waterstaatswetten. Hij meent die te vinden in Johannes Theodorus Smits van Oyen. Die man is textielfabrikant en kent de noden van de locale nijverheid. Hij begrijpt dat de staat alles moet doen om de industriële lethargie die in de Kempen heerst te beëindigen en nieuwe initiatieven te ontplooien, met overheidssteun, als dat noodzakelijk is. Is het nodig, dan moeten de transportmogelijkheden verinnigd worden en voor groter stortgoed- transport moet het Eindhovens Kanaal voor diepergaande schepen bruikbaar gemaakt worden. Dat is een nieuw gezichtspunt waaraan een burgemeestersbenoeming geijkt wordt door de Tweede Kamer waarin de klassiek-liberale zienswijze dominant is. Dat is goed te merken aan de instructies die minister Van Hall geeft aan de burgemeesters, nadat Thorbecke is heen moeten gaan wegens het godsdienstconflict dat we tegenwoordig inboeken als de aprilbeweging. Gericht tegen de katholieken. Van Smits wordt verwacht dat hij dat niet laat escaleren in het Eindhovense en dat hij de geestelijken in bedwang houdt. Daarin slaagt hij omdat ook Zwijsen, de bisschop van Den Bosch en Aartsbisschop van Utrecht de pastoors opdraagt zich gedeisd te houden en vooral niet te provoceren. Van een burgemeester in het Eindhovense wordt verwacht dat hij godsdienstig neutraal is. Hij mag best privé belijdend zijn. Maar dat mag hij nimmer openbaar uitdragen. Doet hij dat toch, dan grijpt de minister van binnenlandse zaken drastisch in. Smits weet dat, en houdt zich daar angstvallig aan. Hij blijft op zijn post tot 1885.
Zijn zoon houdt zich ook aan die beperkingen. Hij mag daarom in zijns vaders voetsporen treden. Hij blijft burgemeester tot 1898. Hij combineert dat met het lidmaatschap van de Tweede Kamer. Dat mocht destijds. Nu niet meer. Want de Tweede Kamer moet juist de handelwijzen en opstellingen van burgemeesters controleren via de minister van binnenlandse zaken. Als kamerlid profileert deze tweede Smits zich als onvervalst klassiek-liberaal. De staat moet het ondernemingsklimaat begunstigen op nationaal niveau. Een andere taakstelling heeft zij niet. De burgemeester moet daartoe in de gemeente de openbare orde, rust en veiligheid borgen. Dat houdt mede in vreemdelingentoezicht en het weren van vreemde publiek-armlastigen. Zo ziet het ook Petrus van Mens. Hij wordt in 1898 Eindhovens burgervader. Dat blijft hij tot 1919. Maar zijns ondanks krijgt hij in 1914, als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, ineens tal van taken erbij. Eindhoven krijgt te maken met het vluchtelingen-vraagstuk. Tal van Belgen zoeken noordwaarts heil tegen de oprukkende brandschattende, plunderende en moordende Duitse infanteristen op hun alles kneuzende weg naar Parijs. Eindhoven krijgt er zijn deel van. Van Mens wil er eigenlijk niets van weten. Hij probeert de opvang van deze asielzoekers tegen te gaan, maar wordt voorbijgestreefd door een kapelaan van de Catharina-kerk. De stadskerk. Die meent, dat hier de christelijke geloofsgemeenschap een taak heeft. Hij neemt initiatieven die het Rijk niet kan negeren en Van Mens moet morrend volgen. Hij is bezwaarlijk opgewassen tegen de spanningen des tijds en kan moeilijk verkroppen dat het Rijk steeds met nieuwe taakstellingen aan komt zetten die niet vallen binnen de beleidskaders die Thorbecke uitzette. Men heeft behoefte aan een nieuw type burgervader.
Binnenlandse zaken meent die gevonden te hebben in Anton Verdijk. Maar deze man is, naast een gemeentelijk administrateur, voor alles openlijk belijdend katholiek als lid van de Katholieke Vereeniging van Kieskringen onder leiding van Mgr. Herman Schaepmann. Verdijk moet de gevolgen van de annexatie der randgemeenten Strijp, Woensel, Stratum, Tongelre en Gestel uitvoeren als administrateur en moet dus beschikken over planologische inzichten. Maar tevens moet hij de actuele staatkunde willen uitvoeren als Katholiek. De staatkunde die de fractievoorzitter van de katholieke kamerfractie, Mgr. Prof. Mr. Dr. Hubertus Wilhelmus Nolens dicteert. Die heeft daarbij het Hoogwaardig Doorluchtig Episcopaat aan het lijntje, want Nolens is ook nog een Protonotarius Apostolicus ten Vaticane en heeft toegang tot Paus Benedictus XV. En dat moet men niet onderschatten, in deze dagen. Nolens wil niet samenwerken met socialisten en is voorstander van een rabiate onderwijspolitiek. Die in Eindhoven moet worden gerealiseerd met medewerking van de burgervader. Verder is Nolens ook voorstander van nieuwe arbeidswetgeving en ook daarvoor moet de burgervader ontvankelijk zijn. Dat geeft aan het Eindhovens ambt een nieuwe dimensie, want orthodoxe katholieken kunnen nu bij Nolens ook nog eens gaan klagen over Verdijk over dingen die met zijn gemeentelijke taakstelling eigenlijk niets te maken hebben. Handhaaft hij de zedelijkheidswetgeving als hoofd van de plaatselijke politie wel genoegzaam? Treedt hij wel goed op tegen het Eindhovens Dagblad als dat op een toog piest? En als geestelijken dingen doen, die niet door de beugel kunnen, schermt de burgemeester ze dan wel goed af als hulp-officier van justitie? Kijk, dat geeft aan de burgervader meer de positie van een magister morum, een waker over zedelijkheid en geestelijke belangen. En is hij daar wel voor? Iemand als rector Van den Donk van het gloednieuwe Catharina-Lyceum en Sint Joris College vindt natuurlijk van wel. Die kan deze ongedachte steun best gebruiken. Maar Anton Philips vindt van niet. En de familie Elias, de joodse textiel-magnaten uit Strijp al helemaal niet. Die vinden dat Verdijk de Zondagswetgeving misbruikt voor particuliere motieven buiten de Gemeentewet om. En zeker de Bioscoopwet, als Eindhoven in het Chicago-theater ineens een echter "kinema"-inrichting krijgt. Het is wat te zeggen. Na de Tweede Wereldoorlog vallen hier ettelijke rekeningen te vereffenen. Verdijk treedt af eind 1945 en dan moet er dus een nieuwe burgervader komen.

Teksten: Gerard Strijards
Collage: Frans Gommers
.

DEEL DEZE FOTO    

SOORTGELIJKE FOTO'S



COMMENTAREN (2)



SIGN IN OR REGISTER TO JOIN THE CONVERSATION


© Copyright 2013 EINDHOVEN-IN-BEELD.nl Alle rechten voorbehouden.