
Eindhoven in Beeld
| Verklaring | |
|---|---|
| Toevoegen aan mijn Album | |
| Verwijderen van mijn Album | |
| Toon Groot Formaat | |
| Speel Audio | |
| Speel Video | |
| Open Document | |
Foto toegevoegd op 02 July 2006
Deze foto zit in de volgende groepen
Media - Film - overig
Media - Film - overig
Ja Henny, hier verdwijnt weer een stukje historie. Het pand ligt een stuk van de Hoogstraat af en als ik de kaart bekijk heeft hier vroeger het Belze Lijntje langs gelopen.
Het gaat hier om een flinke lap grond en dan voel je al meteen de zakelijke belangen. En de sloopvergunning is al verleend op 3 januari 2007 (SL06|0128). Jos Husken, woordvoerder van de Henri Van Abbestichting (en lid van de monumentencommissie?), betreurt het, doch geeft aan dat het qua bouw een beetje standaard is en architectonisch niet echt uitzonderlijk. Toch hoop ik dan de akties van de buurt voor het behoud succes hebben.
Het gaat hier om een flinke lap grond en dan voel je al meteen de zakelijke belangen. En de sloopvergunning is al verleend op 3 januari 2007 (SL06|0128). Jos Husken, woordvoerder van de Henri Van Abbestichting (en lid van de monumentencommissie?), betreurt het, doch geeft aan dat het qua bouw een beetje standaard is en architectonisch niet echt uitzonderlijk. Toch hoop ik dan de akties van de buurt voor het behoud succes hebben.
Toegevoegd door Frans Gommers on 25 January 2007
Lees in het ED van vandaag: sloop is begonnen!
Toegevoegd door Leo Beelen on 03 February 2007
Ik kwam er gisteren langs (ik woon daar 50 meter vandaan) en het is al niet meer te redden. Het pand ligt al voor de helft plat en het zou me niet verbazen als het vandaag al helemaal verdwenen is. Dikke vette schande dat de gemeente Eindhoven hier niet voorzichtiger mee omgaat. Dit was een erg mooi pand. Niet bijzonder misschien, maar het paste in het oude karakter van de Hoogstraat, wat blijkbaar steeds minder belangrijk wordt voor Eindhoven, als er weer iemand met een zak geld rammelt. Herinneren we ons nog het prachtige herenhuis op de hoek van de Hoogstraat/rondweg? Er staat nog steeds niets voor in de plaats! Schandelijk, dat is het.
Toegevoegd door Peter Brinkman on 05 February 2007
Wordt het pand waarin vroeger huisarts Dr Kortenhorst gevestigd was t.z.t. ook gesloopt? De geschiedenis van Gestel wordt geweld aan gedaan. Het zijn bijzondere panden voor het stadsdeel Gestel.
Toegevoegd door J Vervest on 05 February 2007
I was born in this house in 1946. My grandparents lived there for many years. I left there in 1968. My grandparents name was Scholten.
Toegevoegd door Arthur Keith on 22 August 2007
Ik en mijn familie plus nog een aantal Eindhovense joden waren daar in 1943 en 1944 ondergedoken tot de bevrijding 18 september 1944.
Toegevoegd door Maurice Witsema(v/h de Wit) on 04 October 2007
Daar woonde ik dan in 1943 and 1944. Mijn ouders hadden 12 Joden ondergedoken in dat huis.
All that history gone.
All that history gone.
Toegevoegd door Ineke Mes Armour on 05 October 2007
En er is ook een belangrijk gebouw met betrekking tot de filmhistorie weg. In het najaar van 1935 komt in deze villa, die toen "Sunny Home" genoemd werd, de poppenfilmstudio van George Pal, zie foto #10161.
George Pal, die zelf ook op dit adres woonde, is de uitvinder van het "puppetoon"-systeem" waarvoor hij in 1941 een Oscar kreeg. Hij is net voor de oorlog naar Amerika uitgeweken.
George Pal, die zelf ook op dit adres woonde, is de uitvinder van het "puppetoon"-systeem" waarvoor hij in 1941 een Oscar kreeg. Hij is net voor de oorlog naar Amerika uitgeweken.
Toegevoegd door Huub de Mul on 07 October 2007
Ik heb er van ongeveer 2001 tot 2005 gewerkt, en het was een schitterend pand met een mooie achtertuin vol fruitbomen. Helaas was het pand van binnen echt helemaal 'op' doordat de verhuurder weinig tot niets aan onderhoud deed. We zijn er toen vertrokken en er zijn toen wat bezichtigen geweest maar niemand wilde het pand vanwege het gigantische achterstallige onderhoud... uiteindelijk is het dan toch verkocht en meteen gesloopt. Dood en dood zonde... leuk om hier nog wat meer over de geschiedenis van het pand te lezen.
Toegevoegd door Sander Ras on 26 July 2009
Het pand is inmiddels gesloopt. Duidelijk is dus dat er een reden voor was. Van buiten heeft het er altijd keurig uit gezien, zoals ook op de foto. Zie foto #23307.
Toegevoegd door Menno on 11 October 2009
Ik heb de familie Scholten goed gekend. De oude Mevr.Scholten kwam heel vaak bij mijn ouders thuis. Wij woonden aan de overzijde in de kachelwinkel . De dochter van Mevr.Scholten heette Jopie. Zij had 2 zonen, zij noemde ze Burney en Leon (dacht ik) maar blijkbaar is het ene Arthur. Ik heb goede herinneringen aan de oude Mevr.Scholten en de verhalen over de onderduikers heb ik regelmatig horen vertellen door mijn vader. Ook hij had een heel goed kontakt met de oude Mevr.Scholten.
Toegevoegd door Marinette van Dijk-Toirkens. on 23 November 2009
Tot mijn spijt moet ik mevr. van Dijk teleurstellen. De betrefende 12 landgenoten van joodse komaf waren bij de familie Scholten ondergedoken. Mevr. van Dijk met haar ouders woonden op kamers in het pand Hoogstraat 185, die zij van de familie Scholten huurden.
Mevr van Dijk kan ik mededelen dat Arthur/Leon Keith een en dezelfde persoon is.
Tot ons huwelijk in 1963 heb ik vanaf 1940 in het pand Hoogstraat 185 gewoond. Het was een spannend huis met veel verborgen kasten etc. en een zolder die in het begin vol laag met poppetjes, die door de vorige bewoner werden gebruikt voor zijn films
Mevr van Dijk kan ik mededelen dat Arthur/Leon Keith een en dezelfde persoon is.
Tot ons huwelijk in 1963 heb ik vanaf 1940 in het pand Hoogstraat 185 gewoond. Het was een spannend huis met veel verborgen kasten etc. en een zolder die in het begin vol laag met poppetjes, die door de vorige bewoner werden gebruikt voor zijn films
Toegevoegd door Roeland Scholten on 23 December 2009
Roeland, ik weet zeker dat je je vergist. Ik heet met mijn meisjesnaam Toirkens en woonde met mijn ouders in de kachelzaak op Hoogstraat 176 !
En de oude Mevr.Scholten, ik zie haar nog voor me, ze bezocht mijn ouders regelmatig. Over de onderduikers: dit heb ik gehoord van mijn vader die vertelde dat ze zaten ondergedoken bij Mevr.Scholten op Hoogstraat 185, dus niet bij ons, dat heb ik ook niet beweerd, waarschijnlijk niet goed gelezen. Overigens , bent U dan een zoon van Mevr.Scholten ? De broer van Jopie ?
Ik ben benieuwd, was Uw roepnaam Roel ? Hoe komt U erbij dat wij op kamers woonden op 185 ? Waarschijnlijk verward U mij met Uw vroegere buren, Arnold van Dijk. Maar mijn naam is Toirkens, voor alle duidelijkheid. Mijn verhaal klopt precies. Ik heb nog veel meer herinneringen, als U daar belangstelling voor heeft. U mag mij rustig persoonlijk mailen.
En de oude Mevr.Scholten, ik zie haar nog voor me, ze bezocht mijn ouders regelmatig. Over de onderduikers: dit heb ik gehoord van mijn vader die vertelde dat ze zaten ondergedoken bij Mevr.Scholten op Hoogstraat 185, dus niet bij ons, dat heb ik ook niet beweerd, waarschijnlijk niet goed gelezen. Overigens , bent U dan een zoon van Mevr.Scholten ? De broer van Jopie ?
Ik ben benieuwd, was Uw roepnaam Roel ? Hoe komt U erbij dat wij op kamers woonden op 185 ? Waarschijnlijk verward U mij met Uw vroegere buren, Arnold van Dijk. Maar mijn naam is Toirkens, voor alle duidelijkheid. Mijn verhaal klopt precies. Ik heb nog veel meer herinneringen, als U daar belangstelling voor heeft. U mag mij rustig persoonlijk mailen.
Toegevoegd door Marinette Toirkens on 24 December 2009
Per abuis heb ik mevr van Dijk genoemd als wonende in het pand Hoogstraat 185. Dit moet zijn mevr. Mes-Amour.
Toegevoegd door Roeland Scholten on 24 December 2009
Beste Roeland, fijn dat je de vergissing hebt rechtgezet. Ik heb echter nog steeds geen antwoord op mijn vragen. Ben jij de broer van Jopie, ik denk het wel, ik meen me iets te herinneren over een zekere Roel waar Mevr.Scholten over sprak. Ik was echter nog maar klein, ik ben van dec. 1945. Het gaat over de tijd van ca. 1955-1960.
Toegevoegd door Marinette Toirkens on 24 December 2009
Beste Marinette Toirkens, Ik ben inderdaad de broer van Jopie Scholten. Zij is in 1999 overleden. Ik ben geboren in 1935. Mijn roepnaam was Roel, maar Roeland is mijn geboortenaam.
Toegevoegd door Roeland Scholten on 24 December 2009
Tijdens de oorlog woonden in dit huis: hr en tante Pietje Scholten met hun kinderen Cor, Jopie en Roel, de familie Jan en Greet Mes-van Dinther, B. Blomhoff, familie M. Blomhoff, familie Wertheim-Blomhoff, fam I. de Wit met dochter, familie L. de Wit met zoon en dochter.
Voor mijn verhaal zie ED Spectrum van 12 September j.l.
===Tot de vaste medewerkers van het RHCe behoort Virginie Mes, mogelijk familie?
Maurice ik kan de tekst van je verhaal uit het ED niet terugvinden, heb je mogelijk een scan van het artikel voor ons, of desnoods de juiste titel? =Frans===
Voor mijn verhaal zie ED Spectrum van 12 September j.l.
===Tot de vaste medewerkers van het RHCe behoort Virginie Mes, mogelijk familie?
Maurice ik kan de tekst van je verhaal uit het ED niet terugvinden, heb je mogelijk een scan van het artikel voor ons, of desnoods de juiste titel? =Frans===
Toegevoegd door Maurice Witsema on 25 December 2009
Het betreffende artikel beslaat 2 pagina's en ik kan het niet scannen. De titel van het artikel is: Een kleine joodse geschedenis. ED Spectrum Zaterdag 12 september 2009 pagina 2 en 3.
===Maurice bedankt, nu ben ik er uit. Het artikel is ook terug te vinden op : www.ed.nl/specials/bevrijding/article5512884.ece Verder heb ik onderstaand de tekst overgenomen. =Frans===
===Maurice bedankt, nu ben ik er uit. Het artikel is ook terug te vinden op : www.ed.nl/specials/bevrijding/article5512884.ece Verder heb ik onderstaand de tekst overgenomen. =Frans===
Toegevoegd door Maurice Witsema on 25 December 2009
EEN KLEINE JOODSE GESCHIEDENIS.
Door Peter van Vlerken.
Uit het Eindhovens Dagblad van maandag 14 september 2009.
Maurice de Wit (80) beseft dat hij in de oorlog als joodse jongen in Eindhoven goed is weggekomen, zeker afgezet tegen bijvoorbeeld het lot van de broertjes Hornemann, die in Duitsland werden vermoord nadat zij gruwelijke medische experimenten hadden moeten ondergaan. Eindhoven telde in 1941 638 joodse inwoners, van wie er 231 de oorlog niet overleefden.
Maurice kan gelukkig navertellen hoe hij de bezettingsjaren doorkwam.
De jongens van Hornemann wilden altijd met hem spelen. Dat was een beetje tegen de zin van Maurice, want hij was een stuk ouder dan zij. Maar ze woonden nu eenmaal vlak bij elkaar - De Wit in de Rodenbachlaan, Hornemann in de Staringstraat -, ze waren alle drie joods en hun ouders kennissen van elkaar. Het was niet meer dan logisch dat de kinderen met elkaar omgingen.
Wat gejaagd vertelt Maurice over zijn beleving van de oorlog, alsof hij de hele geschiedenis ook nu nog, 65 jaar later, snel achter de rug wil hebben.
Zijn vader, bekend in Eindhoven als 'Jood de Wit', had samen met zijn oom een bazaar, midden op de Demer: M. de Wit & Co, sinds 1899. Ze verkochten van alles wat: huishoudelijke artikelen, speelgoed, kerststallen, postzegels. "Een soort kleine Hema", zegt Maurice, met dit verschil dat ze ook deden in goudvissen, schildpadden en zelfs aapjes. "Altijd zat er wel een of ander beest in de etalage om klanten te trekken."
In het eerste jaar van de oorlog ging het leven nog zijn gewone gangetje voor het gezin De Wit, dat behalve vader, moeder en Maurice, nog dochter Miriam rijk was. In mei 1941 liepen de zaken zelfs bijzonder goed, want er werden volop feestartikelen gekocht in verband met het vijftigjarig jubileum van Philips dat in de stad grootscheeps werd gevierd.
Nadat het feest was uitgelopen op een anti-Duitse demonstratie, werden kort daarna vader Louis en oom Ies opgepakt, terwijl ze zaten te bridgen in hotel Suisse op het Stationsplein, iets wat ze elke zondagmorgen plachten te doen. Thuis aan de Rodenbachlaan kwam de Grüne Polizei huiszoeking doen. Ze werden veroordeeld tot tweeduizend gulden boete en zes maanden gevangenisstraf, uit te zitten in Eindhoven en Scheveningen.
Waarvoor ze waren aangeklaagd is Maurice nog steeds een raadsel. Hij vermoedt voor de verkoop van Oranje-artikelen die op het Philips-feest rondgingen. "Maar dat spul kwam van een andere bazaar in Eindhoven." Met wat geluk, omdat de stemming nog niet zo anti-joods was als later in de oorlog, kwamen zijn vader en oom vrij nadat hun celstraf erop zat.
Die stemming sloeg het jaar daarna om. Maurice moest van de gewone HBS in Eindhoven naar een joodse HBS in Den Bosch en kreeg een speciaal pasje om te reizen. Een jodenster droeg hij al. In Eindhoven werd evenals in andere steden een Joodsche Raad ingesteld, die joden aanwees voor deportatie. "De voorzitter was een Philipsman", zegt Maurice zich te herinneren. "Daardoor kwamen alle niet-Philipsjoden bovenaan de lijst." Gevolg was dat het gezin De Wit in augustus 1942 als een van de eerste bericht kregen zich op het Eindhovense station te melden voor de trein naar Westerbork. Zijn vader had de gevangenis van binnen gezien en dacht dat het kamp misschien zo slecht nog niet was, maar zijn moeder, die via een neef contacten had met de ondergrondse, vertrouwde het voor geen cent en haalde hem over onder te duiken.
Gelukkig wist een van de winkelmeisjes in de Potgieterstraat het adres van de vrijmetselaars, waar haar vader werkte als conciërge. Daar konden ze zich een paar nachten op zolder verbergen, alvorens te worden ondergebracht in de Fuchsiastraat. Maurice moest binnen blijven. "Niemand mocht ons zien."
Na een jaar werden de hoofdbewoners bang voor represailles en moesten ze verhuizen. In de Hoogstraat kwamen ze terecht op een kamertje in een groot, pas vorig jaar afgebroken pand, waar twee gezinnen woonden, waaronder dat van verzetsman Jan Mes. Allengs kwamen er meer joodse onderduikers bij. Op het laatst waren het er elf. Van hun vader kregen Maurice en zijn zusje les in algebra, meetkunde en talen.
Op bevrijdingdag, 18 september 1944, konden ze weg. Huisraad, juwelen en zilverwerk waren verkocht om de onderduik te financieren, maar in de Potgieterstraat waren nog wat kleren achtergebleven. Toen ze die wilden ophalen kwamen ze midden in een bombardement terecht. "Het huis werd geraakt, al onze spullen waren weg, maar we hebben het overleefd", vat Maurice nuchter samen.
Geëmotioneerd wordt hij als hij vertelt dat veel familieleden hem dat niet kunnen nazeggen. Een nichtje werd in Eindhoven verraden. Ook een ander, met een jong kind, werd op transport gesteld en kwam om. Daar kwamen ze achter nadat ze hun oude woning in de Rodenbachlaan weer konden betrekken. Om hun huis weer te kunnen inrichten kregen ze meubels toegewezen die in beslag waren genomen bij een nazi-collaborateur.
Maurice' vader verrichtte werkzaamheden voor de Joodsche Coördinatie Commissie die in de na-oorlogse chaos joodse families, voor zover ze nog leefden, trachtte te herenigen. "Het was een soort ontvangstcomité", volgens Maurice. Om reden daarvan logeerden er in het huis van de familie De Wit elke nacht wel een of meer voormalige onderduikers of repatrianten van de kampen. Ook aan familieleden, die in de kampen hun naasten hadden verloren, werd onderdak verleend.
Om die reden werkte en woonde Maurice een aantal maanden in een voormalige huishoudschool aan de Jan Smitzlaan die diende als noodhospitaal voor vluchtelingen. "Een voordeel was dat ik van de nonnen die er werkten goed te eten kreeg." Daarna ging hij naar de MTS in Eindhoven en leidde een avontuurlijk werkzaam leven dat hem onder meer in Indië - waar hij merkwaardigerwijs de familie Mes weer ontmoette die zich daar had gevestigd - en Israël bracht.
Omdat de winkel op de Demer was gebombardeerd, werd aan zijn vader een noodwinkel toegewezen op de Keizersgracht. Daar kon hij beginnen in postzegels, doordat hij zijn verzameling in de oorlog bij een buurman had ondergebracht. Na de dood van zijn vader zette Maurice met zijn moeder de postzegelhandel voort op de inmiddels herbouwde Demer.
"In tegenstelling tot mijn zusje, die aan depressies leed en jong is gestorven, heb ik aan de oorlog geen trauma's overgehouden", zegt Maurice. Hij hoorde van de broertjes Hornemann. Natuurlijk vond hij dat erg, maar hij volgde het nieuws over hun tragische lotgevallen op afstand. "Ze waren twee van de onvoorstelbaar velen. Van mijn HBS-klas waren er van de dertig nog maar drie over. Het werd bijna gewoon dat zoveel mensen waren omgekomen."
Van begeleiding door het joods maatschappelijk werk maakte hij geen gebruik, tot hij een aantal jaren geleden bij een congres was, waar onderduikers over hun ervaringen spraken. Aan het contact met lotgenoten zegt hij veel te hebben gehad. "Ik hoorde dat ik niet alleen was."
"Eigenlijk", zegt hij, "hadden wij als onderduikers geen verhaal. Het was niet belangrijk. Wij werden over het hoofd gezien. De aandacht ging uit naar de slachtoffers van de kampen, en terecht. Na de bevrijding drukte ik de hele oorlog weg. Ik studeerde en werkte me eroverheen. Daardoor begon de onderduikperiode later weer op te spelen."
Daardoor ook raakte hij verzeild in praatgroepen, aanvankelijk meer als toehoorder en steun voor anderen, maar later nam hij ook zelf wel eens het woord. "Afgezien van het feit dat ik niet de studie heb kunnen volgen die ik wilde, doordat mijn ouders aan de grond zaten, heb ik een belangrijk deel van mijn jeugd moeten missen. Zoiets werkt door. Toen ik moest onderduiken was ik dertien. In de puberteit leer je relaties aanknopen met vrienden en vriendinnen. Daar ben ik nooit goed in geworden."
Maar zijn verhaal, ach, wie wil dat horen? "Je vertelt het een keer, vervolgens wenden mensen zich af, omdat ze niet meer geïnteresseerd zijn. Gevangenen van de Jappenkampen, oorlogsveteranen van nu, iedereen heeft zijn geschiedenis, maar weinigen vinden gehoor. De desinteresse van de mensen is niets nieuws, die is altijd hetzelfde geweest."
Maurice trouwde laat en verloor zijn vrouw vroeg. Via een internetforum voor joodse singles leerde hij zijn huidige - Amerikaanse - echtgenote Jeanne kennen. "Wij zijn blij", zegt Jeanne.
Het joodse geloof speelt bij hem niet meer zo'n grote rol als vroeger. Twee keer per jaar gaat hij naar de synagoge. Het oude, nog door Cuypers ontworpen gebouw aan de Kerkstraat waar hij zijn bar mitzvah vierde, werd op bevrijdingsdag beschadigd bij een Duits bombardement en is later afgebroken. Van de huidige synagoge, gevestigd in een woonhuis in de Hendrik Casimirstraat in Eindhoven, is Maurice een aantal jaren voorzitter en penningmeester geweest. Nog altijd zit hij in de stichting die de joodse begraafplaats aan de Groenewoudseweg beheert.
Zijn achternaam heeft hij in de jaren zeventig veranderd in Witsema. Een echt goede reden daarvoor kan hij niet geven, behalve dan dat De Wit zo veel voorkomt. Tot op de dag van vandaag doet hij in postzegels, zij het vanuit zijn huidige woonhuis in Waalre meer voor de hobby dan voor de handel. Maar zijn postzegelzaak heet nog wel altijd De Wit.
Door Peter van Vlerken.
Uit het Eindhovens Dagblad van maandag 14 september 2009.
Maurice de Wit (80) beseft dat hij in de oorlog als joodse jongen in Eindhoven goed is weggekomen, zeker afgezet tegen bijvoorbeeld het lot van de broertjes Hornemann, die in Duitsland werden vermoord nadat zij gruwelijke medische experimenten hadden moeten ondergaan. Eindhoven telde in 1941 638 joodse inwoners, van wie er 231 de oorlog niet overleefden.
Maurice kan gelukkig navertellen hoe hij de bezettingsjaren doorkwam.
De jongens van Hornemann wilden altijd met hem spelen. Dat was een beetje tegen de zin van Maurice, want hij was een stuk ouder dan zij. Maar ze woonden nu eenmaal vlak bij elkaar - De Wit in de Rodenbachlaan, Hornemann in de Staringstraat -, ze waren alle drie joods en hun ouders kennissen van elkaar. Het was niet meer dan logisch dat de kinderen met elkaar omgingen.
Wat gejaagd vertelt Maurice over zijn beleving van de oorlog, alsof hij de hele geschiedenis ook nu nog, 65 jaar later, snel achter de rug wil hebben.
Zijn vader, bekend in Eindhoven als 'Jood de Wit', had samen met zijn oom een bazaar, midden op de Demer: M. de Wit & Co, sinds 1899. Ze verkochten van alles wat: huishoudelijke artikelen, speelgoed, kerststallen, postzegels. "Een soort kleine Hema", zegt Maurice, met dit verschil dat ze ook deden in goudvissen, schildpadden en zelfs aapjes. "Altijd zat er wel een of ander beest in de etalage om klanten te trekken."
In het eerste jaar van de oorlog ging het leven nog zijn gewone gangetje voor het gezin De Wit, dat behalve vader, moeder en Maurice, nog dochter Miriam rijk was. In mei 1941 liepen de zaken zelfs bijzonder goed, want er werden volop feestartikelen gekocht in verband met het vijftigjarig jubileum van Philips dat in de stad grootscheeps werd gevierd.
Nadat het feest was uitgelopen op een anti-Duitse demonstratie, werden kort daarna vader Louis en oom Ies opgepakt, terwijl ze zaten te bridgen in hotel Suisse op het Stationsplein, iets wat ze elke zondagmorgen plachten te doen. Thuis aan de Rodenbachlaan kwam de Grüne Polizei huiszoeking doen. Ze werden veroordeeld tot tweeduizend gulden boete en zes maanden gevangenisstraf, uit te zitten in Eindhoven en Scheveningen.
Waarvoor ze waren aangeklaagd is Maurice nog steeds een raadsel. Hij vermoedt voor de verkoop van Oranje-artikelen die op het Philips-feest rondgingen. "Maar dat spul kwam van een andere bazaar in Eindhoven." Met wat geluk, omdat de stemming nog niet zo anti-joods was als later in de oorlog, kwamen zijn vader en oom vrij nadat hun celstraf erop zat.
Die stemming sloeg het jaar daarna om. Maurice moest van de gewone HBS in Eindhoven naar een joodse HBS in Den Bosch en kreeg een speciaal pasje om te reizen. Een jodenster droeg hij al. In Eindhoven werd evenals in andere steden een Joodsche Raad ingesteld, die joden aanwees voor deportatie. "De voorzitter was een Philipsman", zegt Maurice zich te herinneren. "Daardoor kwamen alle niet-Philipsjoden bovenaan de lijst." Gevolg was dat het gezin De Wit in augustus 1942 als een van de eerste bericht kregen zich op het Eindhovense station te melden voor de trein naar Westerbork. Zijn vader had de gevangenis van binnen gezien en dacht dat het kamp misschien zo slecht nog niet was, maar zijn moeder, die via een neef contacten had met de ondergrondse, vertrouwde het voor geen cent en haalde hem over onder te duiken.
Gelukkig wist een van de winkelmeisjes in de Potgieterstraat het adres van de vrijmetselaars, waar haar vader werkte als conciërge. Daar konden ze zich een paar nachten op zolder verbergen, alvorens te worden ondergebracht in de Fuchsiastraat. Maurice moest binnen blijven. "Niemand mocht ons zien."
Na een jaar werden de hoofdbewoners bang voor represailles en moesten ze verhuizen. In de Hoogstraat kwamen ze terecht op een kamertje in een groot, pas vorig jaar afgebroken pand, waar twee gezinnen woonden, waaronder dat van verzetsman Jan Mes. Allengs kwamen er meer joodse onderduikers bij. Op het laatst waren het er elf. Van hun vader kregen Maurice en zijn zusje les in algebra, meetkunde en talen.
Op bevrijdingdag, 18 september 1944, konden ze weg. Huisraad, juwelen en zilverwerk waren verkocht om de onderduik te financieren, maar in de Potgieterstraat waren nog wat kleren achtergebleven. Toen ze die wilden ophalen kwamen ze midden in een bombardement terecht. "Het huis werd geraakt, al onze spullen waren weg, maar we hebben het overleefd", vat Maurice nuchter samen.
Geëmotioneerd wordt hij als hij vertelt dat veel familieleden hem dat niet kunnen nazeggen. Een nichtje werd in Eindhoven verraden. Ook een ander, met een jong kind, werd op transport gesteld en kwam om. Daar kwamen ze achter nadat ze hun oude woning in de Rodenbachlaan weer konden betrekken. Om hun huis weer te kunnen inrichten kregen ze meubels toegewezen die in beslag waren genomen bij een nazi-collaborateur.
Maurice' vader verrichtte werkzaamheden voor de Joodsche Coördinatie Commissie die in de na-oorlogse chaos joodse families, voor zover ze nog leefden, trachtte te herenigen. "Het was een soort ontvangstcomité", volgens Maurice. Om reden daarvan logeerden er in het huis van de familie De Wit elke nacht wel een of meer voormalige onderduikers of repatrianten van de kampen. Ook aan familieleden, die in de kampen hun naasten hadden verloren, werd onderdak verleend.
Om die reden werkte en woonde Maurice een aantal maanden in een voormalige huishoudschool aan de Jan Smitzlaan die diende als noodhospitaal voor vluchtelingen. "Een voordeel was dat ik van de nonnen die er werkten goed te eten kreeg." Daarna ging hij naar de MTS in Eindhoven en leidde een avontuurlijk werkzaam leven dat hem onder meer in Indië - waar hij merkwaardigerwijs de familie Mes weer ontmoette die zich daar had gevestigd - en Israël bracht.
Omdat de winkel op de Demer was gebombardeerd, werd aan zijn vader een noodwinkel toegewezen op de Keizersgracht. Daar kon hij beginnen in postzegels, doordat hij zijn verzameling in de oorlog bij een buurman had ondergebracht. Na de dood van zijn vader zette Maurice met zijn moeder de postzegelhandel voort op de inmiddels herbouwde Demer.
"In tegenstelling tot mijn zusje, die aan depressies leed en jong is gestorven, heb ik aan de oorlog geen trauma's overgehouden", zegt Maurice. Hij hoorde van de broertjes Hornemann. Natuurlijk vond hij dat erg, maar hij volgde het nieuws over hun tragische lotgevallen op afstand. "Ze waren twee van de onvoorstelbaar velen. Van mijn HBS-klas waren er van de dertig nog maar drie over. Het werd bijna gewoon dat zoveel mensen waren omgekomen."
Van begeleiding door het joods maatschappelijk werk maakte hij geen gebruik, tot hij een aantal jaren geleden bij een congres was, waar onderduikers over hun ervaringen spraken. Aan het contact met lotgenoten zegt hij veel te hebben gehad. "Ik hoorde dat ik niet alleen was."
"Eigenlijk", zegt hij, "hadden wij als onderduikers geen verhaal. Het was niet belangrijk. Wij werden over het hoofd gezien. De aandacht ging uit naar de slachtoffers van de kampen, en terecht. Na de bevrijding drukte ik de hele oorlog weg. Ik studeerde en werkte me eroverheen. Daardoor begon de onderduikperiode later weer op te spelen."
Daardoor ook raakte hij verzeild in praatgroepen, aanvankelijk meer als toehoorder en steun voor anderen, maar later nam hij ook zelf wel eens het woord. "Afgezien van het feit dat ik niet de studie heb kunnen volgen die ik wilde, doordat mijn ouders aan de grond zaten, heb ik een belangrijk deel van mijn jeugd moeten missen. Zoiets werkt door. Toen ik moest onderduiken was ik dertien. In de puberteit leer je relaties aanknopen met vrienden en vriendinnen. Daar ben ik nooit goed in geworden."
Maar zijn verhaal, ach, wie wil dat horen? "Je vertelt het een keer, vervolgens wenden mensen zich af, omdat ze niet meer geïnteresseerd zijn. Gevangenen van de Jappenkampen, oorlogsveteranen van nu, iedereen heeft zijn geschiedenis, maar weinigen vinden gehoor. De desinteresse van de mensen is niets nieuws, die is altijd hetzelfde geweest."
Maurice trouwde laat en verloor zijn vrouw vroeg. Via een internetforum voor joodse singles leerde hij zijn huidige - Amerikaanse - echtgenote Jeanne kennen. "Wij zijn blij", zegt Jeanne.
Het joodse geloof speelt bij hem niet meer zo'n grote rol als vroeger. Twee keer per jaar gaat hij naar de synagoge. Het oude, nog door Cuypers ontworpen gebouw aan de Kerkstraat waar hij zijn bar mitzvah vierde, werd op bevrijdingsdag beschadigd bij een Duits bombardement en is later afgebroken. Van de huidige synagoge, gevestigd in een woonhuis in de Hendrik Casimirstraat in Eindhoven, is Maurice een aantal jaren voorzitter en penningmeester geweest. Nog altijd zit hij in de stichting die de joodse begraafplaats aan de Groenewoudseweg beheert.
Zijn achternaam heeft hij in de jaren zeventig veranderd in Witsema. Een echt goede reden daarvoor kan hij niet geven, behalve dan dat De Wit zo veel voorkomt. Tot op de dag van vandaag doet hij in postzegels, zij het vanuit zijn huidige woonhuis in Waalre meer voor de hobby dan voor de handel. Maar zijn postzegelzaak heet nog wel altijd De Wit.
Toegevoegd door Frans Gommers on 25 December 2009
I am far enough away now to be able to safely say this about my grandmother and how she felt about the war years. Later she told me that what she and her husband did was not really courageous, it was what her faith asked of her. The only thing that did hurt her was that she never felt that the people she helped were ever able to tell her "thank you."
++Ik woon nu ver genoeg weg om dit veilig te kunnen vertellen over mijn grootmoeder en hoe zij van de oorlogsjaren beleefde. Het enige wat haar pijn deed was dat de mensen die ze hielp nooit in staat waren haar te bedanken. ++
++Ik woon nu ver genoeg weg om dit veilig te kunnen vertellen over mijn grootmoeder en hoe zij van de oorlogsjaren beleefde. Het enige wat haar pijn deed was dat de mensen die ze hielp nooit in staat waren haar te bedanken. ++
Toegevoegd door Arthur (Leon) Keith on 18 June 2011
Ofwel hier gaan we weer, Eindhoven schijnt het nooit te leren!